Longeerhulpen

Als we longeren, maken we gebruik van drie hulpen:
– stemhulpen
– longehulpen
– zweephulpen

 

Voor alle hulpen is het belangrijk dat ze correct en consequent gegeven worden. Alleen dan kan je je paard duidelijk maken wat je van hem vraagt. Zo moet je altijd dezelfde hulp gebruiken voor dezelfde handeling. Dus niet de ene keer ‘ho’ en dan weer ‘stilstaan’ of ‘stop’. Dit is onduidelijk voor het paard.

 

Stemhulpen
Stemhulpen zijn erg belangrijk. In het begin gebruik je je stem veel om het paard te belonen en te kalmeren. Naarmate de africhting vordert, kan je je paard perfect leren om op jouw stemhulpen te reageren. Met de vier basiscommando’s Ho, Stap, Draf en Galop kom je een heel eind. Natuurlijk kun je ook andere woorden verzinnen, als je ze maar consequent gebruikt. De manier waarop je een commando uitspreekt, is bepalend voor het succes. Let op de toon en de hardheid waarmee je iets zegt. Als je bijvoorbeeld streng moet zijn, spreek je luid en met een strenge intonatie. Wil je je paard kalmeren dan praat je rustig en zacht.
Voordat je je paard een commando geeft, moet je je paard even attent maken. Dit doe je door zijn naam te noemen. Zo weet het paard dat er iets nieuws komt.

 

Longehulpen
Tijdens het paardrijden of mennen geven we teugel- of leidselhulpen. Bij het longeren is dat net zo. Allereerst moet je longeren met een zachte hand. Dat betekent dat je een lichte verbinding hebt met het bit: de longe mag niet doorhangen, maar je mag er ook niet aan trekken.
Je kunt de longe vervolgens aannemen en nageven om een ophouding te maken, een overgang te maken, het tempo te controleren e.d. Dit moeten maar kleine bewegingen zijn vanuit de pols.
Je mag het paard nooit straffen met de longe door bijvoorbeeld een stevige ruk te geven. Hierdoor verliest het paard het vertrouwen in jouw hand.

 

Zweephulpen
De zweep is een drijvende hulp en kan voorwaarts of zijwaarts drijvend werken. Houd de zweep tijdens het longeren in de basishouding: laag en een stuk achter het paard. Vanuit deze houding kun je snel ingrijpen als het nodig is. Om voorwaarts te drijven, beweeg je de zweep richting de achterhand van het paard. Om zijwaarts te drijven, beweeg je de zweep richting de schouder van het paard. Het is beslist niet altijd nodig om het paard te raken. Het is een kunst om de zweep op het juiste moment en in de juiste mate te gebruiken. Als je teveel met de zweep slaat, raakt het paard afgestompt en reageert hij niet meer.

 

Er is nog veel meer te vertellen en te leren over longeren. Met gevorderde paarden kun je gaan werken met de dubbele longe en uiteindelijk alle oefeningen t/m de hogeschooldressuur aanleren.

 

Op zoek naar een boek over longeren? Klik hier om meer te lezen