Gedicht: Ruiter, paard en hond

De ene begeleidt, de andre draagt mij. Tot mijn genoegen en in zware strijd. Dit zijn bevredigingen en dit plaagt mij, want zij zijn roekloos aan mijn dienst gewijd. Het paard! (ik voel mijn snelheid vertienvouden) Dat man en lans die mij belaagt, vertrapt. De hond! Die afgeeft wat hij graag zou houden, mijn handen lekt, naar de belagers snapt. Ik ben gepanserd, zij leevren hun huid. Naakt, dapper, aan de schunnige dood uit, ik aarzel en zij weigren niet te sterven. Zij spitsen de oren als een hoorn weerschalt. Zij schreeuwen als de zege mij toevalt, diep dankbaar dat ze een liefkozing verwerven. Willem De Mérode (1887-1939)
januari 19, 2010
Rudi & Nanny
Fun