Ontstaan van de ridder
Pas in de achtste eeuw kan van ridders gesproken worden, zoals men die meestal voor ogen ziet. Pas dan is er een feodaal stelsel ontwikkeld waarin een klasse van beroepssoldaten kan worden gevormd, een militaire macht die voortdurend paraat is om de veelvuldige bedreigingen het hoofd te bieden. Hun militaire uitrusting is erg kostbaar, zodat niet iedere vrije man dit kan betalen. Een Karolingische oorkonde uit de achtste eeuw laat zien hoe veel de uitrusting van een ridder kost. De prijs wordt berekend in koeien, want er is weinig tot geen geld in omloop.
helm: 6 koeien
maliënkolder: 12 koeien
zwaard: 3 koeien
schede: 4 koeien
beenplaten: 6 koeien
schild en lans: 2 koeien
paard: 12 koeien
Een totaal van 45 koeien! In hetzelfde document wordt vermeld dat een goede os 2 koeien kost en een merrie 3 koeien. De uitrusting van de ridder blijkt dus evenveel te kosten als 15 merries of bijna 23 ossen, kortom een fortuin. Bovendien heeft de ridder voor lange veldtochten een extra paard nodig en eten, want voor dat laatste moet hij ook zelf zorgen. Hij heeft een paard en wagen nodig om alles te vervoeren, samen met een menner. De kosten van de uitrusting limiteren het aantal mannen dat op deze wijze kan worden uitgerust en in de loop der jaren zullen deze kosten alleen maar stijgen.
Karel de Grote verordonneert daarom de arme vrijen samen te werken en één van hen van een wapenrusting te voorzien. Velen vinden hiervoor een handige oplossing. Zij geven hun land en vrijheid aan een gekozen heer en verkiezen een aantal dagen op zijn land te komen werken. In ruil hiervoor ontvangen zij bescherming en worden zij ontheven van militaire dienst. Zo ontstaat de hofhorigheid.
De heer bewapent mede dankzij zijn toegenomen welvaart enkele vazallen, hetzij door de opbrengsten van zijn eigen land, hetzij door hun een stuk land te geven. Op deze wijze bouwt de heer een eigen legertje van strijders op. Deze vazallen, die later 'ridders' heten, zullen al snel de meerderheid vormen. Deze praktijk is het grondbeginsel van de georganiseerde maatschappij van het feodale tijdperk.
De dienstplicht
De ontwikkeling van de bewapening, van malienkolder tot harnas, drijft de prijs van een ridderuitrusting steeds verder op. Door deze toenemende kosten kunnen steeds minder mannen zich een bewapening aanschaffen. Bovendien wordt niet iedereen met het nieuwste van het nieuwste uitgerust. Zo zie je in de legers wapenuitrustingen uit bijna alle eeuwen tezamen. Ter compensatie voor de afname van het aantal ridders staat het feit dat ze steeds beter bewapend zijn en dat ze langer dienst moeten doen.
In het begin worden de ridders geacht ieder jaar veertig dagen hun militaire dienst voor hun heer te vervullen, hetgeen hun militaire waarde natuurlijk vermindert. Om deze waarde te vergroten worden diegenen die dat willen betaald om langer in dienst te blijven. Een andere manier is om belasting te vragen aan de ridder in plaats van hem te vragen zijn dienst te vervullen. Met de belastingopbrengst kan dan een vervanger (door)betaald worden. Deze vervangers zijn vaak beroepsridders, mannen zonder land, of onterfde ridders die van het zwaard leven. Nog een manier is om bijvoorbeeld een derde van de ridders te vragen driemaal zo lang dienst te doen, of de ridders te vragen minder mannen mee te nemen, maar langer dienst te doen. De diensttijd zal op deze wijze uiteindelijk tot circa drie maanden oplopen.
Een edel dier
Een ridder gaat uiteraard te paard en dat paard is een kostbaar bezit. Geen wonder dat het in deze tijd een edel dier wordt. De ridders verlangen een speciaal ras, de destrier. Dit paard wordt speciaal gefokt voor het dragen van zware mannen en getraind voor oorlogstijden. Het is mogelijk dat pas in de achtste eeuw een Arabisch ras in Europa wordt geïntroduceerd dat een dergelijke last kan dragen. De ontwikkeling van steeds zwaardere bewapening voor zowel man als paard betekent dat het fokprogramma op sterkere grotere paarden is gericht.
Het gebruik van bewapende paarden versterkt de kracht van de cavalerie, maar beperkt de mobiliteit. In de dertiende en veertiende eeuw krijgen de bezitters van een bewapend paard meer loon. De destrier is van grote waarde voor de ridder. Hij wordt alleen in oorlogstijd bereden en bij een verrassingsaanval. De eerste taak van de ridder is gelegen in het redden van zichzelf én zijn paard. Pas als er tijd genoeg is, bekommert hij zich om zijn wapenrusting. Een bron uit 1220 meldt dat een paard tien slaven waard is. Uit bronnen aan het eind van de dertiende eeuw blijkt dat ridderpaarden een veelvoud waard zijn van gewone paarden, soms zelfs 25 keer zo veel. Vergelijk dit met 4 keer de waarde van een merrie in de Karolingische tijd en dan wordt zichtbaar hoe de prijs is opgedreven.
De revolutie in het zadel
Zeven eeuwen na de Slag van Adrianopel vindt er een revolutie plaats in de manier waarop de cavalerie vecht; hierdoor neemt het belang van de ridders toe. De introductie van de stijgbeugel rond 800, de ontwikkeling van het hoefijzer, een betere bewapening en de uitvinding van het zadel dat zowel van voren als van achteren is verhoogd hetgeen de ruiter een stevigere zitplaats verschaft, leiden ertoe dat de ridder met ontvelde lans kan vechten. Dit betekent dat de ridder met teugels en schild in de linkerhand en de lans recht langs zijn rechterarm gebruik kan maken van de voorwaartse kracht van het paard, zonder dat hij door de klap van de inslaande lans uit het zadel wordt gelicht. Deze manier van aanvallen verspreidt zich snel in de elfde eeuw. Deze verpletterende aanval kan bijna iedere troep voetsoldaten breken. De oorlogszuchtige Turken in het nabije oosten hebben er geen antwoord op en weten alleen te vluchten. Op deze wijze hopen ze de destriers van de ridders uit te putten of door boogschutters te doden. Aan het eind van de elfde eeuw tekent de prinses-historicus Anna Comnena op dat de Byzantijnen denken dat een ridder de muren van Babylon weet te doorboren.
Met dank aan de heer Afred Stern
De Graafschap in de Middeleeuwen
Meer lezen? Kijk op:
www.graafschap-middeleeuwen.nl