Op een goede manier leren longeren.



Waarom longeren?
 
Goed longeren is een kunst op zich en een waardevolle aanvulling op de training. Maar wat is longeren? Met goed longeren bedoelen we in ieder geval niet het zomaar rondjes laten rennen om het paard een beetje stoom af te laten blazen of beweging te geven. Het is veel meer dan dat. Longeren is, net als het rijden of mennen, een training. Dat betekent dat je bewust bezig bent om bijvoorbeeld het paard iets nieuws te leren of aan zijn conditie te werken. Je longeert om er voordeel van te hebben bij het rijden of mennen.
 
Met longeren kun je o.a.
- een jong paard leren gehoorzamen aan stem- en zweephulpen
- een jong paard zadelmak maken
- een paard beweging geven
- een paard losser en buigzamer maken
- het gedrag corrigeren
 
Het doel van longeren is uiteindelijk als het onder zadel rijden: het paard moet eerst ontspannen voorwaarts-neerwaarts gaan, rijtechnisch verantwoord lopen in takt en aanleuning. Daarna in wedstrijdhouding.

Longeren is dus een ideale manier om je paard goed te trainen en kan je gebruiken als je paard eventueel correcties nodig heeft.

Longeren is een uitstekend middel bij de africhting van het paard. Om het goed te doen heb je wel een aantal hulpmiddelen nodig.

De longe
Gebruik een katoenen longe van 8 meter lang. Een longe van nylon is goedkoper maar niet aan te raden. Als hij door je handen getrokken wordt, kun je er snij- of brandwonden aan overhouden. Aan het einde van de longe moet een lus zitten. Er mogen geen leren stukjes of knopen in de longe zitten, ook dit kan namelijk verwondingen veroorzaken.

Het hoofdstel
Voor het longeren kun je het beste een gewoon rijhoofdstel gebruiken met een trensbit. Uiteraard is het belangrijk dat het hoofdstel en het bit goed passen. De teugels kun je het beste van het hoofdstel afhalen of opdraaien en met de keelriem vastmaken.

Longeersingel of zadel
Het fijnste is een goede (lederen) longeersingel met ringen op verschillende hoogtes om de longeerlijn door te halen of hulpteugels te bevestigen. Helaas zijn deze singels vrij duur.

Er zijn ook goedkopere, stoffen longeersingels in de handel. Deze zijn meestal niet stevig genoeg om los te gebruiken. Paarden die erg trekken aan de hulpteugels zullen deze longeersingels te ver naar voren trekken. Je kunt deze singels wel over het zadel leggen.

Gewoon je rijzadel gebruiken kan ook. Je moet dan wel zorgen dat je beugels niet loshangen, anders kunnen ze tegen de ellebogen van je paard botsen. Je kunt de beugels eraf halen, stevig opsteken of de beugels met een touwtje aan elkaar maken (onder de buik door).

De zweep
Een longeerzweep is vaak te kort. Als je paard dit eenmaal door heeft, zal hij er zeker van profiteren. Je moet er dus voor zorgen dat je altijd je paard kan raken. De afstand van jou naar je paard is ongeveer 6,5 m. tot 7,5 m. Dit betekent dat de lengte van je arm + de lengte van de zweepstok + de lengte van de slag dezelfde lengte moet zijn. Verder moet je er op letten dat de zweep licht van gewicht is.

Handschoenen
Het is aan te bevelen om handschoenen te dragen tijdens het longeren. Dit kunnen gewone rijhandschoenen zijn.

Beenbeschermers
Beenbeschermers tijdens het longeren zijn geen overbodige luxe. Vooral jonge of ongetrainde paarden strijken nogal eens met hun binnenbeen tegen het buitenbeen. Bescherm daarom de benen van je paard met pijpkousen, strijklappen of eventueel stevige bandages.

Wel of geen hulpteugels?
We hebben net besproken welke hulpmiddelen je nodig hebt bij het longeren. Hierbij hebben we het bewust nog niet gehad over hulpteugels.

Er zijn veel verschillende hulpteugels en eigenlijk hebben ze allemaal hun voor- en nadelen. Het is dus onmogelijk om aan te geven welke hulpteugel het beste is. Dit heeft te maken met verschillende factoren: de hoeveelheid evaring met longeren, het paard en de manier van longeren.

Veel belangrijker dan de keuze van de hulpteugel is het leren zien wanneer een hulpteugel goed is afgesteld. Dit bepaald namelijk of het gebruik ervan nuttig is of niet. Een verkeerd bevestigde hulpteugel doet vaak meer kwaad dan goed.

Verderop bekijken we wanneer een hulpteugel goed is afgesteld. Eerst bespreken we enkele veelgebruikte hulpteugels.


De bijzetteugel
De bijzetteugel bestaat uit twee leren riemen. Aan het ene eind zit een haak om aan het bit vast te maken en aan het andere eind wordt de riem aan de singel vastgemaakt. Daar is de teugel ook
verstelbaar. Vaak zit in het midden een rubberen ring. De bijzetteugel wordt erg veel gebruikt. Een voordeel is dat de teugel makkelijk in gebruik is en het paard kan zijn hoofd maar beperkt zijwaarts bewegen. Een nadeel is dat het paard het hoofd wel neerwaarts, maar niet voorwaarts kan brengen. Als het paard zich naar beneden wil strekken, komt de neus achter de loodlijn. Een ander nadeel is dat de bijzetteugel soms los gaat hangen. Er is dan geen constant contact met de paardenmond.

De slofteugel
De slofteugel is eigenlijk een extra lange teugel. Hij wordt tussen de voorbenen door aan de singel vastgemaakt en loopt dan via de bitringen naar de longeersingel. Met de slofteugel kunnen paarden hun hoofd eigenlijk te veel zijwaarts brengen en paarden gaan snel te diep lopen.



De Laufferteugel
De Laufferteugel bestaat net als de bijzetteugel uit twee leren riemen, maar deze zijn wat langer. Ook de Laufferteugel heeft aan de ene kant een haak en aan de andere kant een mogelijkheid om langer en korter te maken. De riem wordt vastgemaakt aan de zijkant van de longeersingel, door de bitringen gehaald en dan weer vastgemaakt aan de zijkant van de longeersingel. Het lijkt veel op de slofteugel alleen de bevestiging is anders. Doordat je de teugel aan de zijkant bevestigt i.p.v. tussen de voorbenen door, heb je dezelfde zijdelingse begrenzing als bij de bijzetteugel. Als je een longeersingel met ringen op verschillende hoogtes hebt, kun je de teugel op verschillende manieren bevestigen. Hier kun je een beetje mee experimenteren, maar de hoek mag nooit te groot zijn. Met de Laufferteugel kan het paard voorwaarts-neerwaarts lopen zonder dat de neus achter de loodlijn komt.

Als je trouwens in een paardensportspeciaalzaak vraagt naar een Laufferteugel heb je grote kans dat ze niet weten wat je bedoelt of dat ze het niet hebben. Je kunt er met een beetje creativiteit gewoon een slofteugel voor gebruiken of een koord (katoen of nylon) van ongeveer 6 meter lengte.

Dit zijn slechts drie hulpteugels terwijl er veel meer in de handel zijn. De gogue of de pessoa-teugel bijvoorbeeld zijn ook goed bruikbaar. We hebben echter voor deze drie gekozen omdat veel mensen al een bijzetteugel of slofteugel in huis hebben en een Laufferteugel kun je voor een paar euro zelf maken van een koord.

Zoals gezegd is het erg belangrijk dat de hulpteugel juist is afgesteld. Dit kun je controleren door voor je paard te gaan staan. Pak beide bitstukken vast en trek dan allebei de teugels even strak aan. Nu moet de nek het hoogste punt zijn en de neus van het paard moet net voor de loodlijn staan (zie foto 1). De beide teugels moeten even lang zijn of de binnenteugel iets korter zodat het paard een lichte binnenstelling krijgt. Het paard mag nooit een buitenstelling hebben (naar buiten kijken).

In draf moet de hulpteugel korter zijn dan in stap. Je moet dit dus telkens aanpassen. Ook als je van hand verandert, moet je de teugels verstellen (als je tenminste met een lichte binnenstelling werkt). Kijk vooral goed naar je paard en probeer de juiste afstelling voor jouw paard op dat moment te vinden.

Je zult je misschien afvragen waarom we nog niet met het eigenlijke longeren begonnen zijn. Maar vergeet niet... een goed begin is het halve werk!

De laatste voorbereidingen
Voordat we echt gaan longeren, bespreken we de laatste voorbereidingen.

Bodem
Het is heel belangrijk dat je longeert op een goede bodem. Deze mag niet te los, maar ook niet te hard zijn. Een harde bodem is al snel te glad. Een losse bodem met een dikke laag los zand is ook niet goed. Het paard zakt te diep in het zand en dat is erg belastend voor de pezen en gewrichten van een paard.

Omheining/begrenzing
Vooral bij jonge paarden is het erg fijn om een omheining te hebben. Anders zijn paarden snel geneigd om naar buiten te trekken, zeker aan de kant van de uitgang. Aangezien de meeste mensen niet de beschikking hebben over een speciale longeerbak zul je zelf iets moeten maken. Als je een omheinde binnen- of buitenbak hebt, kun je gebruik maken van de hoek. De andere helft zet je af met bijvoorbeeld hindernissen, hindernisstaanders met afzetlint of strobalen.

Doorsnede cirkel minstens 13 meter
De doorsnede van de longeercirkel moet minstens 13 meter zijn. Zeker voor jonge paarden. Als je de cirkel kleiner maakt, is dat te belastend voor de pezen van het paard. Met een ervaren paard dat goed in balans loopt, kun je de cirkel wel wat verkleinen.

Het begin

Vasthouden longeerlijn en zweep
Voordat we het paard erbij halen, kijken we nog even naar de manier waarop je de longeerlijn en zweep vast hoort te houden.

Als je op de linkerhand longeert, neem je de longe in de linkerhand. De vaste lus (het ‘handvat’) ligt over de onderste drie vingers van je hand. Dan neem je lus voor lus op over de vier vingers van de hand. De lussen worden steeds kleiner. Zorg ervoor dat de lussen nooit zo lang zijn dat je er met je voet in kan gaan staan.

De zweep houd je in de andere hand. De hoek tussen de longe en de zweep is ongeveer 90 graden. Houd de zweep niet te hoog. Op deze manier kun je altijd snel reageren als je de zweep moet gebruiken.
 


Het is trouwens geen slecht idee om eerst eens ‘droog’ te oefenen met de zweep. Zet bijvoorbeeld een blikje of een plastic bekertje op een stoel en probeer deze te raken met de slag van de zweep. Je zult merken dat dit heel wat handigheid vereist. En aangezien het belangrijk is je paard straks op de juiste plaats te raken, is het verstandig om dit alvast onder de knie te krijgen.

Na alle voorbereidingen kunnen we nu echt beginnen met het longeren. Natuurlijk maakt het verschil of je net begint met een paard of dat je paard al gewend is aan het longeren.
In deze aflevering gaan we er even vanuit dat je begint met een (jong) paard dat nog nooit gelongeerd is.
Je mag met longeren beginnen als een paard drie jaar is. Liefst niet eerder omdat een paard er lichamelijk en vaak ook mentaal nog niet klaar voor is. Natuurlijk heb je het paard wel al allerlei andere dingen geleerd zoals: vastzetten, poetsen, voetjes optillen, geleiden, stilstaan e.d.

Bedenk van te voren precies wat je gaat doen en zorg dat je in alle rust met je paard gaat beginnen. Het is belangrijk dat de eerste keren goed verlopen. Het moet voor het paard een positieve ervaring worden.

Zorg voor een rustige helper. Liefst een persoon die jouw paard al kent en waar je paard vertrouwen in heeft. De helper moet met je paard meelopen op de grote volte. In het begin moet de helper veel steun bieden aan het paard door mee te lopen, tegen hem te praten, een klopje op zijn hals te geven, te helpen stil te staan en aan te stappen enz. Langzaam aan moet het paard echter steeds meer op de longeur gaan letten en moet de helper dus steeds minder doen. Als dat goed gaat, kan de helper steeds verder van het paard gaan en uiteindelijk blijven staan.

De eerste keren werk je voornamelijk aan ontspanning. Je paard moet zich op zijn gemak (gaan) voelen en de indruk geven dat hij het leuk vindt. Hij moet leren om (ook zonder helper) op de volte te blijven en de (zachte) druk van de longe te accepteren. Hij moet leren gehoorzamen aan de hulpen zodat je hem kunt laten stappen, draven, galopperen en stilstaan.

Het zal vast wel eens gebeuren dat je paard naar binnen wil komen. Op zo'n moment beweeg je de zweep richting zijn schouder om hem weer naar buiten te drijven en tegelijkertijd maak je de longeerlijn korter om weer contact te krijgen.

Oefen op de linker- en de rechterhand en wissel regelmatig van hand. Oefen zeker niet te lang! Twintig minuten is lang genoeg voor een jong paard.

In deze fase longeer je je paard nog gewoon aan een (goed passend) halster. Dus nog geen hoofdstel, bit en longeersingel.Het gebruik van hoofdstel, longeersingel en hulpteugels.

Tot nu toe hebben we het paard gelongeerd met alleen maar een halster aan. Als het paard ontspannen loopt in stap, draf en galop en gehoorzaam is aan de hulpen kun je een stap verder gaan.

Hoofdstel met bit
Eerst laten we het paard wennen aan een hoofdstel met bit. Doe dit eerst een paar keer in op stal zonder verder iets te doen of ga een stukje wandelen met hoofdstel aan.
Als je paard aan het hoofdstel gewend is, kan je ermee gaan longeren. Haal de longe met de musketonhaak door de bitring heen en onder de neusriem door. Maak dan de musketonhaak weer vast aan de longeerlijn. Klik nooit de longeerlijn alleen aan de bitring vast als je zonder bijzetteugels longeert. Je trekt dan namelijk het bit door de mond van het paard.


Er bestaan ook speciale longeerhulpstukjes, een leren of nylon riempje met aan beide kanten een musketon om aan de bitringen te klikken en in het midden een ringetje om de longeerlijn aan te bevestigen. Het gebruik van zo'n hulpstukje is niet echt aan te raden. Bij druk op de longe komt er meer druk op de buiten bitring en knijpt het in de onderkant van de kaak.

Longeersingel of zadel
Na het hoofstel en het bit komt de longeersingel of het zadel aan de beurt. Heb je een longeersingel? Gebruik die dan eerst een paar keer. Zoniet, dan gebruik je meteen een zadel. Doe de singel of het zadel al eens op in de stal en stap er wat mee rond.
Als je gaat longeren zorg dan dat de singel of het zadel vast genoeg is aangesingeld. Je moet absoluut voorkomen dat de singel of het zadel gaat schuiven. Gebruik desnoods een voortuig om het zadel op zijn plaats te houden.

Hulpteugels
Na een aantal keren longeren met hoofdstel en longeersingel of zadel gaan we voorzichtig beginnen met een hulpteugel. Natuurlijk alleen dan als het paard tot nu toe rustig en gehoorzaam is.
In Longeren deel (Paardentips nummer ) hebben we enkele hulpteugels besproken. Kijk hier eventueel nog even naar en kies een hulpteugel waar je mee wil gaan werken.
Als je je paard voor de eerste keer bijzet, doe je dat op het einde van een longeertraining als het paard al wat moe is. Laat de hulpteugels in het begin nog wat langer, zodat het paard er langzaam aan kan wennen. Gaat het goed? Maak ze dan een gaatje korter. Na verloop van een aantal trainingen komen ze zo vanzelf op de juiste lengte.

Longeerhulpen
Als we longeren, maken we gebruik van drie hulpen:
- stemhulpen
- longehulpen
- zweephulpen

Voor alle hulpen is het belangrijk dat ze correct en consequent gegeven worden. Alleen dan kan je je paard duidelijk maken wat je van hem vraagt. Zo moet je altijd dezelfde hulp gebruiken voor dezelfde handeling. Dus niet de ene keer 'ho' en dan weer 'stilstaan' of 'stop'. Dit is onduidelijk voor het paard.

Stemhulpen
Stemhulpen zijn erg belangrijk. In het begin gebruik je je stem veel om het paard te belonen en te kalmeren. Naarmate de africhting vordert, kan je je paard perfect leren om op jouw stemhulpen te reageren. Met de vier basiscommando's Ho, Stap, Draf en Galop kom je een heel eind. Natuurlijk kun je ook andere woorden verzinnen, als je ze maar consequent gebruikt. De manier waarop je een commando uitspreekt, is bepalend voor het succes. Let op de toon en de hardheid waarmee je iets zegt. Als je bijvoorbeeld streng moet zijn, spreek je luid en met een strenge intonatie. Wil je je paard kalmeren dan praat je rustig en zacht.
Voordat je je paard een commando geeft, moet je je paard even attent maken. Dit doe je door zijn naam te noemen. Zo weet het paard dat er iets nieuws komt.

Longehulpen
Tijdens het paardrijden of mennen geven we teugel- of leidselhulpen. Bij het longeren is dat net zo. Allereerst moet je longeren met een zachte hand. Dat betekent dat je een lichte verbinding hebt met het bit: de longe mag niet doorhangen, maar je mag er ook niet aan trekken.
Je kunt de longe vervolgens aannemen en nageven om een ophouding te maken, een overgang te maken, het tempo te controleren e.d. Dit moeten maar kleine bewegingen zijn vanuit de pols.
Je mag het paard nooit straffen met de longe door bijvoorbeeld een stevige ruk te geven. Hierdoor verliest het paard het vertrouwen in jouw hand.

Zweephulpen
De zweep is een drijvende hulp en kan voorwaarts of zijwaarts drijvend werken. Houd de zweep tijdens het longeren in de basishouding: laag en een stuk achter het paard. Vanuit deze houding kun je snel ingrijpen als het nodig is. Om voorwaarts te drijven, beweeg je de zweep richting de achterhand van het paard. Om zijwaarts te drijven, beweeg je de zweep richting de schouder van het paard. Het is beslist niet altijd nodig om het paard te raken. Het is een kunst om de zweep op het juiste moment en in de juiste mate te gebruiken. Als je teveel met de zweep slaat, raakt het paard afgestompt en reageert hij niet meer.

Nu hebben we je een beetje wegwijs gemaakt in het longeren. Er is nog veel meer te vertellen en te leren over longeren. Met gevorderde paarden kun je gaan werken met een dubbele longe en uiteindelijk alle oefeningen t/m de hogeschooldressuur aanleren. Wij hebben enkel de basis behandeld.

Met dank aan Lammert en Jet Haanstra voor hun medewerkig aan dit artikel.

In de shop kan je een boek en dvd vinden van Lammert Haanstra. De informatie die je er kan vinden zal je helpen bij het goed longeren van je paard.


Nota: Hulpteugels en andere hulpmiddelen dienen ter ondersteuning en mogen nooit een paard in een bepaalde houding forseren! 

Magazine!


Meld je nu aan en ontvang het Paardentips Magazine gratis in je mailbox!

Voornaam:

E-mail:


Aanmelden voor Paardentips Magazine
Jouw privacy is veilig: ook wij haten spam!!!
Winkelmandje


Bekijk winkelmandje
Snelkeuze menu:

Onze Bestsellers:

webdesign & cms by WHITE