Paardentips gedichtenbundel


 
 

Vertrouwen

 
Ik open mijn ogen
En zie het lieflijkste schepsel ter wereld
Mijn moeder
Haar vacht glanst in de zon
Ze moedigt me aan om op te staan
Mijn benen willen niet naar mij luisteren
Toch moedigt ze me aan
‘Ze zullen wel naar je luisteren,
wacht maar af’
Ze had gelijk
Nu vlieg ik over de vlakte
Steeds sneller en sneller
Alsof ik één ben met de wind
Een geweldig gevoel dat ik met iedereen wil delen
Jaren verstrijken
Ik heb afscheid genomen van mijn moeder
Ik ben nu volwassen en moet mijn eigen weg gaan
Ik ren zo ver als mijn benen me kunnen dragen
Ik ren totdat ik gevangen word
Door de klauwen van de mens
Verzettend tegen alle dingen
IJzer in mijn mond en een riem rond mijn buik
Met dwangmiddelen dwingen ze me
Om te gaan in de richting die zij willen
Allemaal zijn ze hetzelfde
Opgesloten in een kleine stal
Naast me staat een oud paard
Hij vertelt me over zijn leven
Hoe hij het uiteindelijk opgaf
Hij vertelt me dat hij alleen zal sterven
In een koude omgeving
Zonder waardigheid, zonder trots
Voor de eerste keer in mijn leven ben ik echt bang
Bang om op te geven
Maar in de duisternis verschijnt een licht
Een aardig iemand neemt me mee
Uit de donkere gevangenis
Naar de grote weilanden
Eerst ben ik onwillig
Nog steeds wordt er mij een hoofdstel en zadel aangedaan
Nog steeds ben ik gevangen
Maar dan op een zonnige dag
Op mijn blote rug, ongetuigd
Ik ren, vrij als een vogel
Één met de wind
En ik heb iemand gevonden om het mee te delen
En als mijn einde ooit zal komen
Zal zij naast me zitten
Zal zij mij geruststellen
En diep in mijn hart weet ik nu dat mensen niet slecht zijn
Ze herinneren zich alleen niet dat ze ooit ook vrij waren
Maar wij, paarden, zullen laten zien dat de mens echt vrij kan zijn
Samen met ons over de vlakte rennen
De wind in het gezicht
Pure, ongetemde vrijheid

Krystle J. uit Beringen (B)


 Gelukkig ben ik

 
Gelukkig ben ik
 
als hij me vriend’lijk groet, hij mij steeds beschermt en voor gevaar behoedt.
 
Gelukkig ben ik

als een zacht gehinnik de leegte vult, getuige van een diepe band, met liefde en geduld.
 
Gelukkig ben ik

bij het wapp’ren van witte manen in de wind, een beeld van iets zo dierbaars en mij zo bemind.
 
Gelukkig ben ik

als wij samen te velde gaan, door d’ onbedorven natuur, door ’t gras en ’t rits’lend graan.
 
Gelukkig ben ik

als hij me eerlijk en met zacht gemoed aanziet, telkens voor me klaar staat, bij vreugde en verdriet. Gelukkig ben ik pas als hij gelukkig is, want tenslotte is dat mijn grootste bekommernis.
 


Dit is een gedichtje dat ik voor mijn twee haflingers Maiko (3) en Almiro (1) heb geschreven.
Ik wens jullie verder nog heel veel succes met wat jullie doen en proficiat met paardentips. Het is echt goed!

Vriendelijke groeten,
Nathalie Jacob(19) uit Poperinge, België 

Twee horsen

 
Twee horsen (paarden)
Ze stappen, hun bellen al klinken,
de vrome* twee horsen te gaar;
Ze zwoegen, ze zweeten; en blinken
doet 't blonde gelijm* van hun haar

Ze stappen, ze stenen , ze stijven
de stringen; en 't ronde gareel
het spant op hun spannende lijven:
de voerman beweegt ze aan een zeel*

De wagen komt achter. De rossen,
gelaten in 't lastig geluid
der schokkende, bokkende* bossen*,
gaan stille en gestadig vooruit

Geen zwepe en behoort er te zinken,
geen snoer en genaakt er één haar:
zoo stappen, hun bellen al klinken,
de vrome, twee horsen, te gaar.

GUIDO GEZELLE (1830-1899)




De betekenis van de meeste woorden van dit West-vlaamse gedicht kan je waarschijnlijk wel aanvoelen. Een paar hebben wat extra uitleg nodig om het goed te kunnen volgen.
De betekenis van:
vrome = makke
gelijm = glans
zeel = touw
bokkende = stotende
bossen = assen

Je had waarschijnlijk wel begrepen dat de horsen, waar meneer Gezelle over schrijft, paarden zijn die als aanspanning door zijn gedachten liepen bij het schrijven van dit gedicht

Hoe lang hebt gij?

 
Veertig jaren heeft het paard, dertig blijft de koe op aard, kat of hond kan twintig jaren 't huis voor muis en dief bewaren, schaap en geit zijn 't minst gegeven, vijftien jaren duurt hun leven.
 

 Strijdros

 
Kunt gij het paard sterkte geven,
zijn nek met manen bekleden?
Kunt gij het doen springen als een sprinkhaan?
Zijn trots gesnuif is een verschrikking.
Het doorwoelt met vreugde het dal,
met kracht trekt het de strijd tegemoet;
het lacht om de vrees en is onvervaard
en deinst voor het zwaard niet terug.
Boven hem rinkelt de pijlkoker,
flikkert lans en speer;
ontstuimig en wild verslindt het de bodem
en is niet te houden als de horen wordt geblazen
en reeds van verre ruikt het de strijd,
het geroep der aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.

Uit: Job 39:22-28 (NBG)

Ruiter, paard en hond


De ene begeleidt, de andre draagt mij.
Tot mijn genoegen en in zware strijd.
Dit zijn bevredigingen en dit plaagt mij,
want zij zijn roekloos aan mijn dienst gewijd.

Het paard! (ik voel mijn snelheid vertienvouden)
Dat man en lans die mij belaagt, vertrapt.
De hond! Die afgeeft wat hij graag zou houden,
mijn handen lekt, naar de belagers snapt.

Ik ben gepanserd, zij leevren hun huid.
Naakt, dapper, aan de schunnige dood uit,
ik aarzel en zij weigren niet te sterven.

Zij spitsen de oren als een hoorn weerschalt.
Zij schreeuwen als de zege mij toevalt,
diep dankbaar dat ze een liefkozing verwerven.

Willem De Mérode (1887-1939)

Willem De Mérode (1887-1939)

Gebed van een paard

 
Lieve baas,

Geef mij te eten en te drinken en zorg voor mij.
Is de dagtaak volbracht, geef mij dan onderdak,
schoon stro en 'n ruime box.

Spaar mijn gevoelige mond, gebruik geen zweep
als ik mijn best doe; wees niet ruw als ik je niet direkt begrijp,
maar geef mij de tijd om te leren.

Onderzoek mijn mond, als ik niet eet; mogelijk heb ik een zieke tand,
Zet me niet kort vast en coupeer m'n staart niet;
't is het enige wapen dat ik heb tegen vliegen.

Als ik je niet meer tot nut kan zijn, laat mij dan
niet verhongeren of kou lijden.

En tenslotte, wees goedhartig en geef
mij geen nieuwe baas als ik oud word,

Ik dank je baas voor al je
zorgen en al je liefde voor mij.

Toegezonden door Frank (Bredene)

Bede van een Paard.

Bij het stijgen, sla mij niet,
Bij het dalen, jaag mij niet,
In den stal, vergeet mij niet,
Hooi en graan misgun mij niet,
Onthoud mij 't frissche water niet,
En ook 't droge stroobed niet,
Ben ik warm, verkoel mij niet,
Ruk mij aan de kinketting niet,
Zijt gij boos, dan beul mij niet,
Plaag mij met d' opzetteugel niet,
En- bedek mijn oogen niet.
 

Het paard en de mus

Beste Rudi en Nanny,

Wij zijn elke keer weer blij met 'Paardentips' en lezen dit van het begin tot het einde.
Onlangs vond ik in een oude gedichtenbundel van mijn moeder. Ze is geboren in 1905 en gestorven in 1995, de gedichten dateren uit haar schooltijd, en ééntje vond ik heel leuk om naar jullie sturen, lees maar:
 
Paardje uw krib is boordevol,
en mijn buik is leeg en hol.
Mag ik ook een hapje of twee,
he, jawel mus eet maar mee.

Pik maar toe zoveel je kunt,
’t is u hartelijk gegund.
Mus was waarlijk in haar schik,
at zich ’t kleine buikje dik.
En bedankte voor ’t onthaal,
’t vriendelijk paard wel duizend maal.

Paardje kan ik ook voor u iets doen,
want ik zie u hebt verdriet,
en het eten smaakt u niet.

Och, sprak ’t paard, er zitten wel
duizend vliegen op mijn vel.
’t Is haast niet om uit te staan,
zoveel pijn doen zij mijn aan.

Ho! Sprak mus is ’t anders niet,
ik weet wel raad voor dit verdriet.
En toen vloog mus over ’t paard zijn kop,
en hapte al de kwade vliegen op.

(Trappenmakerij Ansoms)

  Vaarwel trouwe vriend

De grootste droom die ik had
is als een zeepbel uit elkaar gespat,
weet je nog ons eerste contact
we sloten meteen een pact
je keek recht in mijn ogen,
en heel even leek het of onze harten samen bewogen.
Ik voelde mijn bloed sneller door mijn aderen stromen,
het was jij die ik had gezien in mijn dromen !
Toen ik jou kreeg was ik zo ontzettend blij,
op jouw rug
ik voelde mij veilig en vrij.
Ik voelde mij met jou zo gelukkig,
jij was nooit stout of nukkig,
jij was immer opgewekt en tevree,
jij werkte steeds gewillig mee,
ik hield met heel mijn hart van jou,
jij liet mij nooit in de kou,
jij hebt steeds het beste van jezelf gegeven,
jouw werklust is tot op het laatste gebleven,
toch was jij al een tijdje ziek,
maar helaas ik zag het niet...
Plots ging jij van mij heen,
Ik bleef achter helemaal alleen,
samen waren wij één,
toch het wordt nooit meer als voorheen,
in mijn dromen blijven wij samen,
dit zou jij zeker beamen,
dan ga jij met mij mee,
voor een rit aan zee,
om te vliegen over het strand,
mijn hart blijft eeuwig aan jou verpand !
Uren heb ik jou zitten knuffelen en strelen,
die momenten kan niemand meer stelen,
in mijn hart blijf jij eeuwig bestaan,
daar kan je voor altijd van op aan !

2 grote donkere ogen
ik kijk ze nog één keer aan
een kusje op je neus
en dan moet je echt gaan

snap het dan
ik had geen keus
kon het nog maar
heus,,..

de sterretjes zijn weg
je ogen glinsteren niet meer
'sorry, het spijt me!'
keer op keer

nog één laatste kusje,
en de woorden 'ik houd van jou'
'vaar wel mijn liefste'
'ga maar gauw,,..''

Gaby Daalmeyer

Wa s ik een paard

Als we konden leven als paarden,
dan hadden we 'de hemel' op aarde:
Edel, vrij, onstuimig, braaf en af en toe eens bokken,
trouw, gehoorzaam, wonend in een stal of tochtvrije hokken,
Grazend van het groene gras met de zon op je blote kont,
wapperende manen in de wind en wat haver op tijd en stond,
een begrijpende baas en een grote kudde om vreedzaam in te leven,
dan hoeven we nimmer van zorgen te beven...
'Ik wou soms dat ik een paard was'
'en dat het groene gras 'hier' en niet aan de overkant was'
'dat ik een ruiter dragen mocht'
'ach, is dat nu niet wat ver gezocht?'
want ik draag nu ook mijn ruiter''
'en hij draagt mij als ik mij stuiter' (= mijne teen stoot)
 
Martha Breugelmans

  Ode aan mijn paard

Mijn paard
Vanaf dat ik klein was had ik een wens
Mijn echte vriend en kameraad dat wordt geen mens
Dat wordt er een voor mijn plezier
Je raad het al mijn vriend is een dier
Al mijn spaargeld ging ervoor opzij
Echt alles had ik over voor die droom van mij
En na jaren te hebben gespaard
Kon ik haar halen, mijn eigen paard
Ook nu steek ik nog veel geld in haar
En na mijn werk ben ik nog lang niet klaar
Elke dag 's avonds, 's middags of in de morgen
Dan ga ik naar haar toe om haar te verzorgen
Hagel, sneeuw, wind of regen
Altijd kom je mij met haar tegen
Wij zijn elkaars beste vriendinnen
En kunnen niets meer zonder elkaar beginnen
Al mijn wensen zijn dus uitgekomen
Ik heb mijn eigen paard, net als in mijn dromen.

Merel van Luijk

  Geluk
 
"Warme adem in mijn oor, zachte neusgaten die mijn wang strelen, mijn paard naast mij.
De avondzon schildert lichtpuntjes in zijn manen. We kijken over de velden, gewoon zomaar. En we begrijpen elkaar, ook zonder woorden. Is dat waar geluk?"
 
(uit het boek Grondwerk met Paarden).

  Wie waarlijk paardenman wil zijn...
Citaat van Mr. Dr. Benno Stokvis uit het boek Van Paarden en Mensen

Elke dag opnieuw moet de ruiter zijn paard veroveren, veroveren door geduld en redelijkheid, met zelfbedwang en fermheid: Elke dag opnieuw zijn superioriteit bewijzen. En deze noodzakelijkheid drukt haar stempel op zijn levenswijze, die gematigd en beheerst zal moeten zijn.

Wie zich te buiten gaat an drinkgelagen en nachtelijke uitspattingen, wie zich overgeeft aan de speelduivel en aan verdovingsmiddelen, houdt op de meerdere te zijn van zijn edel rijdier. Hij is niet langer ruiter in de ware zin van het woord. Hij zal nog kunnen rijden, als hij de techniek voldoende machtig is, maar met de werkelijke ruiter voor wie de liefde tot het paard een alles vervullende passie is, heeft hij alleen de uiterlijke verschijningsvorm gemeen.

Het zieleleven van het paard is een gesloten boek voor hem geworden. Hij mist de geconcentreerdheid, de aandacht voor het détail, de waakzame attentie, het vòòrvoelende, intuïtieve, soms bijna 'helderziende' reageren, of juister 'prae-ageren' van de wezenlijke ruiter.

Wie waarlijk paardenman wil zijn, moet sober en ingetogen leven, ook dus tot de deugden van een evenwichtig, in regelmaat verlopend bestaan, is indirect het paard de opvoeder.
 
Niet echt een gedicht maar wel prachtig gebracht. Toch?

  De plaats van het paard in het dierenrijk

Uit: De Veterinaire Almanak van 1894

Overgenomen uit het oud-Nederlands

De mensch, zoo werd ook mij geleerd,
Heeft, maar ook hij alleen,
Twee handen, spraak, verstand en wil,
Hij staat nummer één.
Dan komt de aap, het is bekend
Dat het vier handen heeft,
Dat er zeer vele soorten zijn,
Dat hij verschillend leeft
Dan volgen and're orden nog,
Eerst later komt het paard
Met eigenschappen, breed vermeld,
Met manen en staart

'Eenhoevige' noemt men 't edel dier
Waardoor 't zich onderscheidt
van rund en zwijn en ander vee,
waarbij de hoef zich splijt.

Men late 't onderscheid toch gaan,
Dat ik u aangaf hier,
En geve een meer gepasten rang
Aan 't schoonst en edelst dier.

Nog eens, geeft 't paard een and're plaats,
Een plaats , die het verdient
In 't dierenrijk, ge kwijt dan 'n plicht
van dankbaarheid aan 'n vriend
Wie gaf het paard zijn kracht...

Van de Amsterdamse dichter en historicus Isaäc da Costa (1798-1860):

'Wie gaf het paard zijn kracht, zijn heldenhart!
Wie heeft zijn hals bekleed met pracht van manen, golvend op de wind?
Men ziet hem dansen gelijk een sprinkhaan,
bij de bliksemende lansen,
De pijlen, rootlend in hun koker,
en het zwaard dat flikkert in zijn oog, voor galm nog glans vervaart;
Een wolk gaat opwaarts van zijn snuiven,
Met zijn hoeven verslindt hij 't slagveld of hij trappelt het tot groeven,
En ijlt het harnas tegemoet,
Of schuimt en woelt,
Terwijl hij aan 't gebit zijn krijgsdrift bloedend koelt,
En antwoordt briesend op de donder der trompetten,
Waarbij vaandelen zich in beweging zetten.'

Heb jij een idee, verhaal, tip, gedicht, paardenpraat,...?
 
Stuur het ons (via knop contact hier boven)  op en wie weet komt het in een van de volgende Paardentips te staan en misschien later op deze site.

Magazine!


Meld je nu aan en ontvang het Paardentips Magazine gratis in je mailbox!

Voornaam:

E-mail:


Aanmelden voor Paardentips Magazine
Jouw privacy is veilig: ook wij haten spam!!!
Winkelmandje


Bekijk winkelmandje
Snelkeuze menu:

Onze Bestsellers:

webdesign & cms by WHITE